zaterdag 25 april 2015

Ik zal die schone dag niet snel vergeten

Ik zal die schone dag niet snel vergeten
dat ik, door lichaams' ongemak geveld,
en door de last der immer zwaarder jaren,
u komen zag, uit onbeschreven verte,
en de eerste werking van uw handen onderging,
die mij de zwaarte van het bestaan ontnam.

Ik zal die schone dag niet snel vergeten
dat u de kinderen rondom het fornuis
verzamelde en in de kookkunst onderwees,
de eerste stap naar zelfstandigheid
en naar een afgerond, gezond bestaan,
en kennis van het wond're leven om ons heen.

Ik zal die schone dag niet snel vergeten,
dat u wie nooit te water ging de moed gaf
oude zekerheden te verlaten en te vertrouwen
op het frisse nat en eigen, nieuw verworven kunst,
en kracht die eens ten achter bleef
tot groter bloei en hoger plan kon brengen.

Ik zal die schone dag niet snel vergeten
dat u voor het eerst zich wijdde
aan wat beemd en veld en bos en hei
te bieden heeft aan kruipend, vliegend, zwemmend,
springend, kortom levend wild,
en aan de bescherming van dit kostbaar, kwetsbaar goed.

Ik zal die schone dag niet snel vergeten
dat de gemeenschap van uw keus
uw liefde voor het eerst ontving, uw aandacht en uw zorg,
opdat gemeenschap steeds gemeenschap blijve
en niet verbrokkele tot steen en puin
en tot het rulle zand der eenzaamheid.

U zult die schone dag niet snel vergeten
toen bleek dat het niet onopgemerkt gebleven is,
maar bijgeschreven in de boeken
en in de annalen die strekken tot de verste horizon.
Goede werken verschralen nooit,
maar blijven werkzaam vanaf waar, wanneer, het ooit begon.


© Herman Posthumus Meyjes
Deventer 24 april 2015

Stadsgedicht 56

Voorgedragen ter gelegenheid van de uitreiking van de Koninklijke Decoraties op 24 april 2015

donderdag 23 april 2015

Outlet

                                              bij het openen van de zoveelste outlet in de Lange Bisschopstraat


de stad laat uit

de winkelsterfte

neemt bezit

van stille straten

niets schijnt te willen baten

tegen de grootschalige tijd

het stedelijk bezit

verschraalt, verslijt

de eenling delft

het onderspit

er lijkt geen hoop

de binnenstad

houdt opheffings-

uitverkoop


© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 23 april 2015

Stadsgedicht 58 

maandag 6 april 2015

Sumus Umbra

Ik ben ongrijpbaar, een passant, een verschijning,
een wind die langs de einder jaagt,
een mist die mij het zicht ontneemt,
een droom die mij in leven houdt,
een nevel die mij als een kleed omhult,
adem die mij eens ontnomen wordt,
schemer die over alles valt
en toch niets te vertellen heeft –
ik ben een schaduw.

Wat ik ook ben is een bak met blubber,
een berg van bagger, een afvalput
vol vuile grond, een woestijn van modder.
een onafzienbare hoeveelheid prut –
ik ben een bak met drek.

Hijgend duw ik de massa voort
naar zijn bestemming
die weinig zal verschillen van de mijne.
Ik ben gezwoeg, geploeter,
geknoei en troosteloos gedoe,
tegen alle waarschijnlijkheden in.

O, onpeilbaarheid van tegendelen –-
waarvandaan valt nog te raden,
waarnaartoe blijft diep geheim,
gezegend zij uw naam.


Herman Posthumus Meyjes
Deventer 5 april 2015

 
Stadsgedicht 50           

Onder mijn raam vaart over de IJssel heen en weer een duwboot, getooid, 
zoals zovele rivierboten, met een Latijnse naam, “Sumus Umbra”, 
(wij zijn een schaduw), werkzaamheden uitvoerend voor het project Ruimte voor de Rivier.

woensdag 1 april 2015

Tijdsbesef

                                            wanneer verleden, heden en toekomst door elkaar lopen…..

Ik schuifel langs de maatlat van de tijd
en hoop te weten hoe ik de toekomst zag
toen die alreeds in mijn verleden lag
en als een spijkerbedje was gespreid.

Die toekomst heeft mij grondig voorbereid
op wat mij overkwam van dag tot dag
nadat ik mijn ouderdom, waar ik nu om lach,
had ingeruild voor jeugd, de ernst gewijd.

Herinnering die in eigen staartstuk bijt
roept om herstel van hogerhands gezag.
Ik doe van deze strijd getrouw verslag
opdat oogst van gister op heden's grond gedijt.

Ik klamp mij vast aan al wat eens verglijdt
en ween om wat nog komen moet.
“Vaarwel”,  zo luidt mijn welkomstgroet –-
Het verleden van de toekomst komt op tijd.

Ik verzet de wijzers, alle tijd ten spijt,
en leg op het broos restant beslag.
Wat komt maakt van het voorgaande gewag –-
O, toekomst, wat sta ik bij u in het krijt!


© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 1 april 2015


Stadsgedicht 53

zondag 29 maart 2015

Op de Groentenhandel van de familie Li op de zaterdagmarkt op de Brink

Wekelijks herbergt mij de kraam
die beginkraam en ook eindkraam is
en pleisterkraam en ankerkraam,
een hunker- en ook bunkerkraam
een voorraadkraam, een kleuren- en geurenkraam
een nadenkkraam en tevens vergeetkraam
een ontdekkingskraam en kraam van de toegift,
van het telraam en van de vaste vraag,
van aandrang en van hoop,
de kraam van vertrouwen en gewoonte
de kraam van dankbaarheid, tevredenheid en voldoening –-
de kraam der kramen –-
wie zal het niet beamen?

waar anders de spinazie en de kiwi
waar anders de broccoli en de andijvie
waar anders de peterselie, de koolrabi en de salie
waar anders zoveel kennis, warmte, humor, huiselijkheid,
waar anders zoveel vriendschap die het hart verblijdt,
op deze markt is er geen evenknie –-
waar anders ga ik langs dan bij de familie Li?

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 19 maart 2015


Speciaal voorgedragen voor de familie Li op 29 maart in de School van Vrieswijk.

Stadsgedicht 49

dinsdag 24 maart 2015

Eiland zonder wolf

De laatste kruimels zijn gestrooid,
de laatste veren glad gestreken,
vogels, van hun moederdier berooid,
worden nog eenmaal in hun mooiste tooi bekeken.

Gebenedijde wezens die niet denken hoeft!
die enkel, zwevend, zwemmend, zwervend, hoeft te zijn,
wij zijn u dankbaar dat u in ons midden toeft,
u bent in het grijs bestaan als fonkeling in de wijn.

Klink voort, getjilp, gezang, gekweel, gegak,
de spreektaal van het vliegende gebroed;
andere handen stellen jullie voortaan op gemak;
de hand is anders, de liefde even goed.

Blijf trouw, herinner ons, de vleugellozen,
aan de veelvormigheid van het bestaan.
Aarde, water, lucht –- ach, hadden wij opnieuw gekozen,
dan stonden wij wellicht bij de gele voederbak vooraan.

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 15 februari 2015,

Bij het afscheid, na 23 jaar, van mevrouw (Ineke) Wolff als dierenverzorgster op het Vogeleiland
Nieuwe versie op het eerdere gedicht van februari, 24 maart voorgedragen voor mevrouw Wolff tijdens het Dichterscafé in het Paviljoen Vogeleiland.

Stadsgedicht 47  

woensdag 4 maart 2015

Oude begraafplaats

Dit is het landschap van de respectabele dood,
van de dood die gezien wil worden in het gezelschap
van de wilde krokussen en de dubbele sneeuwklokjes,
als deel van een onstuitbaar bloemenschilderij.
Dit is het landschap van de onverwoestbare bomen,
grijs en kreunend onder hun ouderdom,
maar stuk voor stuk een uitdaging
voor de meedogenloze tijd – bomen,
die elk zo oud zijn als de oudste dromen van wie hier rust.
Dit is het land van de stilte, niet zozeer van het graf,
maar van de wandelaar en de bezoeker wiens borstkas
aarzelt te bewegen en wiens voet twijfelt waar hij treden zal.
Het palet van bloemen behoudt het evenwicht
tussen dood en leven, dat het geheim is van ieder die hier doolt.

Hier zou men willen sterven, evengoed als leven.
Hier, in alle stilte, voelt men de diepe hartslag van de stad.
En ook, aan het einde van die lange laan, van zichzelve,
alsof men hier en nergens anders, een eeuwig leven had.
Hier, waar men bidt en zwijgt, vat men geredelijk nieuwe moed,
en voelt het leven onwaarschijnlijk groot en klaar en goed.

Deventer, 3 maart 2015

Naar aanleiding van een bezoek aan de Oude Begraafplaats aan de Diepenveenseweg te Deventer,
in gebruik 
tussen 1831 en 1918


Stadsgedicht 52